De onrust van de reiziger

Door Aart Mak

Het is een oud motief: je bent onderweg door het leven. Ook al heb je een huis, een vaste baan, een vaste relatie en schatten van kinderen, je bent toch onderweg. Ook een mens die bekend staat als een huismus is op reis. Je ontwikkelt je, je bent te beïnvloeden, de tijd maakt je ouder, kaler, grijzer, wijzer misschien. Je doet ervaringen op en leert er misschien iets van. De aarde draait, de dagen wisselen de nachten af, mensen worden geboren, mensen sterven. Alles beweegt en is onderweg. En als het om mensen gaat, en nu naderen we het terrein van de grote levensvragen, het geloof en de levenskunst, dan moet iemand die op reis is, niet teveel meenemen. Teveel bagage zou hem belemmeren in het gaan. Er bestaan te veel verhalen over de mens die vasthoudt aan wat hij heeft, denkt dat alles materie is en steeds kouder en eenzamer wordt. Bij dat niet teveel bagage hoort ook de kunst van het loslaten. Achter je durven laten. Bereid zijn afscheid te nemen. Niet de kramp toelaten om te houden wat je hebt. Loslaten. En wie zou durven beweren dat hij die kunst al beheerst? En dan is op reis zijn is ook durven zwerven. Niet van zekerheid naar zekerheid. Ook niet willen weten. Openingen in je dagschema. Witte plekken in je agenda. Vertrouwen dat het je gegeven wordt. Blijven staan en het leven durven ondergaan. Zien wat er gebeurt. Met jou.

Maar waarom zou je het leven zien als een reis? Omdat dit het beste antwoord is als je aanvaardt dat er onrust in je woont en dat je als mens nooit compleet en nooit af bent. Aanvaard de ontwikkeling en ga mee bewegen, geestelijk gesproken. En kijk nu, daar komen ze aan, de drie koningen, wijzen of magiërs, wie zal zeggen wie het zijn? Mensen op zoek naar het goddelijk kind, geleid door een ster. De dichter Elliot schreef eens (en hij legde dat in de mond van een van die pelgrims): 'Geboorte of dood. Er was een geboorte, zeker dat feit was er, geen twijfel mogelijk. En ik in mijn leven, ik kende geboorte en dood. Maar ik dacht altijd dat ze van elkaar verschilden, geboren worden en doodgaan. Maar deze geboorte van dit kind was een hard en bitter gelag. Het was als de dood. Want we hadden dat kind ontmoet en waren ervoor op onze knieën gegaan. En we keerden terug naar onze haardsteden, onze koninkrijken en we voelden ons niet meer thuis. Niet meer in dat oude verbond, vervreemd van ons volk dat zich vastklampte aan al die sterren aan de hemel en glitter op aarde.' Die onrust, die bedoel ik als ik het over onrust heb.

Alles ging zoals het gaat en ineens gaat het niet meer. Je bent samen en je besluit ineens dat je beter alleen kunt zijn dan zogenaamd samen. Je voelde je gezien. En je werd onzichtbaar. Je werd gewaardeerd. En je wordt afgedankt. Een mens heeft de neiging een vast beeld van zich te maken. Zo ben ik en zo wil ik bekend staan. Maar het bestaat niet. Subtiele afgoderij om te denken dat je aan de dans ontspringt. De dans namelijk van de sterren, van de planeten, van alles wat is, van mensen ook. En warempel, in het verhaal gaat het over een ster die beweegt. Alle sterren staan zogenaamd vast aan de hemel, van ons uit gezien. Maar wat is vast en zeker als de onrust eenmaal heeft toegeslagen? Het oude leven afgedaan. De pijn van het leven drijft je als een kind uit de baarmoeder tevoorschijn. Mens, wie ben je? Je veiligheid telt ineens niet meer. Want al die vertrouwde taal voelt als een gevangenis. Je ontdekt hoe gewone kennis tekort schiet om aan je verlangen, de taal van je ziel vorm te geven. En de drie wijzen, koningen of magiërs gaan. Ze gaan volgens dezelfde Elliot door de slechtste tijd van het jaar. Over zompige wegen en bij gemeen weer. Ze moeten omgaan met vloekende drijvers, ze zitten aan nachtvuren die uitgaan. De steden zijn hen vijandig gezind. De dorpen smerig en veel te duur. En ze rijden ‘s nachts maar door, slapend bij rukken. Met zingende stemmen in hun oren die, hoe verleidelijk en bekend, zeggen: 'Is het niet allemaal dwaasheid, je reis, je pelgrimsreis?'

Maar dan gebeurt het. Je vindt en ziet. En je weet. Je verlangen komt tot rust. Geloven wordt aanschouwen. Je onrust bleek de voorbode van de hoop en het begin van bewijs van dat er een andere wereld bestaat. En als je dat eenmaal gezien hebt en weet, keer je terug. De hemel is er maar is pas voor later. Nu leef je. En keert terug. En je went van je levensdagen niet meer aan een wereld die calculeert, in macht denkt en geweld gebruikt. Een wereld van mooie woorden voor twijfelachtige zaken. Je went er nooit meer aan. En je blijft de rest van je leven verlangen, verlangen naar mens-zijn zonder macht, mensen die voor elkaar in de bres springen, voor een ander als een vader zijn die zich ontfermt, als een moeder die koestert. Zo moet God zijn. Zo is God. Het kind heeft het geheim verraden. Je weet het voortaan. Wat onrust dus al niet teweeg kan brengen. Je leven gaan zien als een reis. Zelf de mens worden die, te midden van alle dwaasheid, wijs kan worden. En koning worden, zonder land of bezit, maar wel een koning. En magiër zijn, zonder toverstok maar vol van het goddelijke geheim. Zalig makende onrust…

 

Terug naar overzicht…