Overspannen

Door Ds. Aart Mak

Ik had mijn collega al een tijd lang niet gezien en gesproken en ik besefte, toen ik hem bij toeval ontmoette, dat ik hem ook al lang niet meer was tegengekomen op een van de sociale media. Hij kon erg actief op Twitter zijn. Elke dag zond hij berichten de wereld in, van hem zelf of , retweetend, van anderen. Hij vertelde mij dat hij al drie maanden niet aan het werk was. ‘Ik ben anderhalf jaar geleden gestart op mijn nieuwe werkplek. Ik had uitgekeken naar die nieuwe baan. Ik had een slechte tijd achter de rug. Een gemeente waar ik mij niet thuis voelde, een collega die me niet lag en een paar bestuurders die mij net als bij David in een harnas van Saul wilde laten lopen. Ik heb het toen zo goed en kwaad als het ging volgehouden en was dolgelukkig dat een andere gemeente mij wilde hebben. Ik ging daar aan de slag en werkte alsof de wind mij voortdreef. Ik maakte met iedereen kennis, ontwikkelde plannen, formeerde groepen, legde contacten met mensen die niets hadden met die kerk maar wel snapten dat de woonwijk meer gemeenschap, schoonheid en vrolijkheid kon gebruiken. Ik werkte dat het een lieve lust was, dacht ik.

En toen ineens, na de zoveelste avond weer eens nieuwe mensen te hebben ontmoet, werd ik de volgende ochtend wakker en wilde ik maar één ding: blijven liggen. Doodmoe was ik. Ineens. Ik keek in mijn agenda en ik rilde bij het bladeren alleen al. Geen witte bladzijde was er te bekennen. Misschien een griepje, dacht ik. Ik besloot, toen ik opstond en dat zware gevoel niet over ging, mij ziek te melden. Vooruit dan maar, één dag. Maar de dag erop voelde ik mij nog steeds en eigenlijk nog meer uitgeteld. En toen besloot ik naar de huisarts te gaan. Ik kende haar van een van de ontmoetingen die ik had opgestart met iedereen die zich in die wijk bezig hield met zorg. Zij was de eerste die het woord overspannen liet vallen. Stoppen met werken, zei ze, doe om te beginnen maar eens een maand, zei ze daarna, toen ze mijn verschrikte gezicht zag.’

‘Die ene maand is dus al drie maanden geworden,’ zei hij, ‘en ik denk, als ik mijn psycholoog moet geloven, dat het nog wel drie maanden duurt voor ik voorzichtig aan weer ga werken. Therapeutisch aan het werk gaan, noemen ze dat.’ ‘Snap je wat met je er gebeurd is?’ vroeg ik hem. Hij antwoordde: ‘Ik ben er eigenlijk in getrapt. Ik had zo in de verdrukking gezeten. En toen wilde ik me bewijzen, laten zien wat ik allemaal kon. Ik vergat nee te zeggen, op tijd weg te lopen, ik vergat totaal andere dingen te doen, dingen die niets met het werk te maken hadden, vrije dagen had ik wel, maar ik liet ze stiekem toch weer vollopen om iets af te maken of om toch even contact op te nemen met die of gene die in het ziekenhuis lag. Als ik erop terug kijk, zie ik nu dat ik bezig was met mijn imago en mijzelf voorbijliep. En het gekke is dat ik toen, na die ochtend dat ik doodmoe wakker werd, nog zo lang dacht dat ik het alleen wat handiger moest aanpakken en dat het dan wel weer beter zou gaan. Ik nam het mezelf kwalijk zelfs. Ik overspannen! Pas later, toen mijn  psycholoog mij dwong naar mezelf te kijken, naar mechanismes in mij die ik me niet bewust was, de codes van mijn opvoeding, mijn angsten, wat het met je doet om dominee te zijn, de eenzaamheid van dat beroep, toen besefte ik hoe ik mij zelf voor de mal aan het houden was.’ ‘En nu?’ vroeg ik, ‘wat doe je nu?’ ‘Mozart luisteren, Dante Alleghieri eindelijk lezen, elke dag een uur vingeroefeningen aan de piano, hardlopen, uitgebreid koken voor ons thuis, zoveel.’ ‘Je zult het nog missen als je weer aan het werk gaat.’ zei ik. ‘En dat was ik dus niet van plan. Nu weet ik wat ik daarvoor miste.’ We namen afscheid. Ik moest weer verder, ik was al te laat voor mijn volgende afspraak. Hij keek mij grijnzend na, merkte ik, toen ik even omkeek.

Ik vertel u dit verhaal omdat deze collega wel bestaat maar ik heb hem wat eigenschappen meegegeven die van mij zijn. Raadt u in elk geval nooit wie het is die ik tegenkwam. Maar ik was dus zelf ooit ook overspannen, burned-out, opgebrand, gevloerd door de stress en ik had het niet in de gaten. Dat is nu zo’n dertig jaar geleden. Ik heb er veel van geleerd. Over mezelf, over wat ik allemaal met de moedermelk mee had opgedronken, over mijn manier om me te handhaven. En weet u wat mij uiteindelijk het meeste heeft geholpen en waardoor ik nu mijn veerkracht en plezier in wat ik doe redelijk weet te behouden? Dat is het woord ruimte. Als er geen ruimte meer is tussen andere mensen en mij, tussen mijn werk en wie ik ben, tussen wat ik te geven heb en wat ik zelf dien te ontvangen, als dat er niet is, gaat het fout. En op een nog dieper niveau heb ik geleerd, veel later toen het er soms ook om spande, om niet meer bang te zijn. Bang voor gezichtsverlies, bang voor het oordeel, bang voor mensen. Het is allemaal angst, zong Robert Long ooit. En als je bang bent door de mand te vallen, moet er iemand zijn die zegt: er is geen mand (Freek de Jonge).

Terug naar overzicht…