Mensen met maskers

Door Aart Mak

En daar liep ik, woensdagmiddag, met een vet askruisje op mijn voorhoofd, van de Groenmarktkerk naar huis. Ik moest door een winkelstraat. Veel mensen onderweg. Een enkel kind dat mij aankeek, wees naar zijn voorhoofd. Een vrouw wees vragend naar mijn voorhoofd. Vandaag is het Aswoensdag, zei ik, begin van de vastentijd. Ze keek me aan alsof ik een hoofddoekje droeg en keerde zich af van mij. Thuis heb ik het kruis er maar van af gewassen. Dat gedoe. Als je bidt, ga dan niet opzichtig op de hoek van de straat staan bidden. Mens met een masker. Ga ajb in de binnenkamer, sluit de deur en bid tot de Vader die in het verborgene is. Hoe zo’n oude uitspraak weer actueel kan zijn. In deze tijd vol vooroordelen, angst voor andersdenkende mensen en huiver voor religieuze uitingen op straat, duik ik liever weg in de kraag van mijn jas en maak ik mij onzichtbaar voor anderen in wat ik vind en geloof. Vorige week hoorde ik nog twee Jehova Getuigen op een brug in Haarlem vanachter een tafeltje met Wachttorens en flyers met daarop van die gezonde en blije mensen getekend, de voorbijgangers die niet weg keken, vragen of ze naar het paradijs verlangden. Wat een vraag! Hadden zeker ook mediatraining gehad. Mijn hart krimpt altijd een beetje als ik die mensen in de weer zie. Ik weet er genoeg van om met enige reden te vinden dat ze voor de mal worden gehouden. Kinderen mogen hun verjaardag niet vieren. En als je een ongeluk krijgt waarbij je veel bloed verliest, is het verboden een bloedtransfusie te ondergaan. Dus ga je dus dood en dat heet dan Gods wil. Maar wat ik vind van deze Jehova Getuigen, vinden heel wat Nederlanders weer van mij, protestant en ook nog dominee die ik ben. Iemand die gelooft roept veel wakker bij anderen, onbegrip, soms nieuwsgierigheid, maar ook irritatie en soms regelrechte woede. Voor veel Nederlanders staat geloof synoniem met onderdrukking en misleiding. Mensen met een blij masker waarachter een wreed gezicht schuilgaat.

Neemt niet weg dat ik als protestant me toch onderworpen heb aan het ritueel van Aswoensdag. ‘Mens, breng je te binnen dat je van stof gemaakt bent en tot stof zult weerkeren.’ Dat is de uitspraak die daar bij hoort. En die uitspraak is zo waar dat je je kunt afvragen waarom dat dan hardop gezegd moet worden. En ook nog eens getekend moet worden op je voorhoofd als een masker. Maar ik onderging het als was het een zegen. Meer dan andere jaren realiseerde ik mij dat ik wil weglopen bij de drukte vandaan. Ik heb diep respect voor veruit de meeste politici die landelijk, provinciaal en in de gemeentes de boel bij elkaar houden, om nu maar eens een beroemd geworden uitspraak van Job Cohen te citeren. Politiek is vaak ook niet meer dan dat, rekening houden met elkaar, nadenken over de gevolgen van een besluit op korte en op lange termijn en de minst slechte keuze maken. Dat is vanouds het politieke ambacht. En nu wordt het, meer dan vorige jaren, gepresenteerd als een show. Futiele verschillen worden breed uitgemeten. Thema’s worden uitentreuren besproken totdat elke kijker of luisteraar het spoor bijster is. Alsof wij met elkaar in deze maatschappij zonder dat we het wisten, hebben afgesproken dat we elkaar voortdurend op de huid moeten zitten, geen foutje ongestraft mag blijven en elkaar zo dol draaien met onze gewone en sociale media dat we tenslotte een gek kiezen die het dan maar allemaal voor ons moeten oplossen. En bij die drukte wil ik het liefst vandaan lopen.

Soms verlang ik terug naar de stille zondagmiddagen die ik doorbracht in het Twentse landschap. Vrijdag ontmoette ik een vriend bij de Abdij van Bergen en we keken zonder te spreken uit over de nog steeds winterse velden eromheen. Alleen de vogels kondigden op die grijze dag aan dat er iets zat aan te komen, het voorjaar. Een oud en blij makend gevoel neemt bezit van mij als ik zondagmorgen een klok hoor luiden. Ik zit het liefst te staren in het zich ontwikkelende vuur in mijn houtkacheltje. Een mooi gesprek met iemand, zomaar op straat, over hoe het gaat, echt, niet dus aan de buitenkant maar van binnen, ik houd er van. Mijn geloof, hoezeer ik ook dominee ben en dat ook nog eens met hart en ziel, is niet het geloof van de spandoeken, de bekeringen en de deelname aan het leger van Christus. Als je gelooft ben je wel geroepen, maar niet om je af te zonderen en je eigen clublied uit je hoofd te leren. Roeping is de overgave aan je medemensen, aan dit leven. Leren wat gedaan moet worden. Keuzes maken. Zeker. Maar ook wijzer worden over jezelf. Ik ben christen, zeg ik dan, om meer mens te worden. En niet omgekeerd. Stof ben ik en tot stof zal ik weerkeren. Dat besef helpt om de geesten te onderzoeken, om te beginnen je eigen geest. Over een jaar of wat zal alle politieke en maatschappelijke punaisepoetsen van tegenwoordig vergeten zijn. Dat denk ik. Maar misschien niet dat we dit jaar een keuze hebben gemaakt, toch, ondanks allerlei angst en verzet. We hebben niet gekozen voor onze mensen, ons volk, eigen bloed enzo, maar we kozen voor mensen, gevlucht, berooid, anders dan wij en we vertrouwden erop dat dit de weg was, ook al wisten we niet hoe de toekomst zou zijn. Dat bedoel ik met christen zijn om mens te worden. En dan moeten altijd weer de maskers vallen.

 

Terug naar overzicht…