Gemaal

Door Aart Mak

Regelmatig passeer ik met de auto het voormalig stoomgemaal De Cruquius. Het staat daar op de grens van het oude land van Holland en de inmiddels ook al weer ruim honderdzestig jaar geleden ingepolderde Haarlemmermeer. De droogmaking van het Haarlemmer Meer gebeurde indertijd op een technisch uiterst moderne wijze. Het wegpompen van het water had met honderd windmolens gekund. Maar men koos voor de nieuwste stoomtechniek en samen met de gemalen Leeghwater en Lijnden deed de Cruquius in korte tijd wat gewenst werd. Dat het zover kwam, was mede te danken aan de doortastendheid van koning Willem I. Als het aan de gemeenten Amsterdam, Leiden en Haarlem had gelegen, waren ze nu nog aan het discussiëren over de noodzaak van inpoldering. Deze gemeenten hadden alle belang bij deze grote plas water: de talrijke vissers verdienden er hun brood, alle transport ging haast over het water en bovendien loosden Haarlem en Leiden hun vuile water op het Haarlemmer Meer.

En dan gaat de geschiedenis toch weer anders dan de mensen van toen dachten. Het gemaal De Cruquius  staat er nog steeds, als enige van de drie, als een getuige van lang vervlogen tijden. Het Haarlemmermeer heet tegenwoordig dé Haarlemmermeer en is zich al jaren aan het ontwikkelen tot het centrum van een nieuwe metropool. Schiphol, het oude scheepskerkhof, werd tot één van de grootste luchthavens van Europa. Hoofddorp bouwt maar door en wordt alsmaar groter. In dit deel van Nederland zijn niet meer Haarlem en Leiden de belangrijke centra van handel en transport, maar de stad in de polder die eigenlijk zo ver reikt als Amsterdam, Utrecht, Rotterdam en Den Haag die zo ongeveer de grenzen ervan vormen. Dat zijn fascinerende processen. Wie door Europa reist komt behalve bruisende steden ook altijd oude, ingeslapen stadjes tegen. Tien tegen één dat deze steden in voorbije eeuwen levendige handelscentra waren. Neem bijvoorbeeld de Hanzesteden Hasselt, Zwolle, Kampen en Doesburg. Hoe fraai ook en met hoeveel kunst en vliegwerk ook gerestaureerd en herschapen voor het toerisme, het blijven duffe, saaie plaatsen.

In 1933 werd het stoomgemaal De Cruquius buiten werking gesteld. Het had zijn werk gedaan. Op het nippertje ontsnapte het gemaal aan de sloop. Het behoort nu tot het werelderfgoed. En denk nu even aan de kerkgebouwen. Ook die hebben in vroegere tijden een belangrijke functie vervuld. Zie dan ook hier hoe alles in een periode van zeventig jaar ingrijpend veranderd is. Een meerderheid van de huidige Nederlandse bevolking oriënteert zich in haar spirituele behoeften niet meer op de kerktorens letterlijk en het christelijk georganiseerde geloof, figuurlijk gesproken. Net als het gemaal De Cruquius staan veel kerken in het landschap als grotendeels lege ruimtes te getuigen van vervlogen tijden toen mensen nog hun ziel en zaligheid, in vreugde en verdriet, aan de kerk en haar dienaren toevertrouwden.

Het springende punt is of wij dan met het in stand houden van al die kerken niet bezig zijn het stoomgemaal te laten draaien, terwijl veruit de meeste mensen gebruik maken van hogesnelheidstreinen. We kunnen natuurlijk van de kerk een toeristische trekpleister maken en wie weet houden we daarmee het fraaie gebouw in stand zonder al te veel achterstallig onderhoud. Maar net als bij die stoomgemalen, werkt dat hooguit bij één van de drie. De andere twee gaan ten onder. Ik denk vaak: laten we wél zoveel mogelijk godsdienstige gebouwen in stand houden, want bij Nederland horen kerktorens en kerkgebouwen als getuigen van een oude godsdienstige traditie. Maar zullen we dan de inventaris verder laten voor wat die is? En opnieuw beginnen, op de plek waar we samenwonen met anderen? In huiskamers, cafés en theaters? Of ergens langs de weg, in een soort kapelletje voor reizigers? Dan laten we in de vakanties aan onze kleinkinderen zien hoe wij vroeger de polders droogmaalden en nog heel lang, tot ergens in de 21e eeuw, op de harde banken van statige gebouwen onze godsdienst hebben beleefd.

 

 

 

Terug naar overzicht…