Tafel

Door Ds. Aart Mak

Het was krap aan tafel. Zeven kinderen, een vriendje dat ook meeat, een tante die over was en vader en moeder zelf maakten het tot een elftal mensen. We konden allemaal nét zitten. Mijn een na jongste broer zat weer gedraaid op zijn stoel. Iemand ergens aan de rechterkant porde mij gemeen even in de zij. Kleine rekening van vanmiddag die nog vereffend moest worden. Onder de tafel was het ook een gedrang van benen en voeten. We mochten met onze voeten niet steunen op het kruis. Gewoon schoenen op de grond. Ik hield er altijd wel van, een tafel vol mensen. Het mooie geluid van bestek op borden. Gepraat. Grappen en onwaarschijnlijke verhalen. Tot er dat heilige moment kwam. ‘Ja, stil zijn, we gaan bidden!’ En mijn vader ging voor in gebed. Op die typische manier die ik van hem zo goed kende. De hele wereld werd er bij gehaald. Maar het begon altijd bij onszelf. Als hij bad leek het alsof dat koninkrijk dat hij vaak noemde vanzelfsprekend bestond. Zolang je je ogen dicht had, was het er. En er was altijd veel aan de hand met ons, zondig als we waren. En het eten was genade en we ontvingen het uit Gods hand. En dan zei hij amen. En werd er gegeten. Altijd ging het zo, nu ook. Maar toen werd er gebeld. Tijdens het eten, een uitzondering. We leefden nog in het Nederland van de vaste tijden en vaste gewoonten. Mijn vader liep morrend naar de deur en kwam na een spannende minuut terug. Wie van ons een stilstaande brommer had omvergereden?! En dat het windscherm stuk was en dat de eigenaar verhaal kwam halen. Mijn broer tegenover mij keek mij aan. Van rechts voelde ik weer die por in mijn zij. Ik schoof mijn stoel naar achteren, ging staan en zei dat ik het was geweest. Met een door twee rake klappen van mijn vader suizebollend hoofd en nog maar een paar happen in mijn mond, heb ik de rest van de avond op mijn kamer doorgebracht.

Het heeft bij mij best een tijd geduurd voor ik echt kon genieten van een uitgebreide maaltijd. Ik groeide in dat grote gezin op met haast. We aten dan wel niet staande, zoals de joden dat deden in de nacht dat zij Egypte ontvluchtten, maar wel in grote haast. Vader moest om zeven uur ’s avonds alweer ergens zijn. Wij, middelbare scholieren, moesten nog heel veel huiswerk maken of ook om zeven uur daar zijn waar vader was. Catechisatie. Er moest natuurlijk gegeten worden. Kilo’s aardappelen en groente in dat grote gezin. Er werd aan tafel soms druk gepraat, gegiecheld, gepest ook, maar meestal zwegen de kinderen en spraken de ouders. Die twee zagen en spraken elkaar alleen tijdens het eten en naar ik aanneem ’s nachts. Mijn vader maakte veel mee en wilde veel vertellen. Ik herinner mij de afschuwelijkste uiteenzettingen over gewonde en doodzieke mensen. En ook hilarische verhalen, dwaasheden, venijnige opmerkingen, het hele leven. Maar wij, jongens en meisje, zwegen dan. En daarnaast was de maaltijd vooral een soort godsdienstoefening. Er werd gebeden aan het begin en gebeden aan het eind. En ook nog uit de bijbel gelezen. Ik heb aan tafel bijna alles gehoord wat in de bijbel stond. Maar ontspannen aan tafel zitten, een glas wijn in de hand, de tijd nemen om van alles wat daar opgediend is te genieten, achteruit schuiven met je stoel, natafelen en hele gesprekken voeren, het heeft lang geduurd voor ik die wereldse slag te pakken had. En er kan natuurlijk altijd aangebeld worden…

Ik zit weer aan tafel. Eindelijk. Ik heb honger. Ik heb me de hele middag als een gek uitgesloofd. Naast mij zit mijn beste vriend. Een andere, haast even goede vriend zit tegenover mij. We glimlachen naar elkaar. Ik praat.  Twee zitplaatsen rechts van mij buigt iemand naar achteren, raakt mij met zijn hand in mijn zij en wijst. Ik moet van hem schuin naar links kijken. Daar vraagt degene die wij onze leraar noemen om stilte. Deze zegt dat wij niet lang meer samen zullen zijn. ‘Dit zou wel eens de laatste maaltijd kunnen zijn.’ Ik kijk verbaasd naar de anderen. Onder de tafel beroert iemand mijn been. ‘Een van jullie zal mij verraden,’ klinkt het, ‘dat zal het einde inluiden.’ Het draait in mij. Kan dat? Wie? Ik? Kan ik dat zijn? En alsof ik van een afstand toekijk, zie ik mij de stoel waarop ik zit naar achteren schuiven en aanstalten maken om te gaan staan…

Tekst (uit en naar Romeinen 7: 15-17): ‘Vaak doorzie ik niet wat de gevolgen zijn van wat ik doe. En ik doe ook dingen die ik eigenlijk niet wil. Dit is zo ingewikkeld! Want wie is het dan in mij die doet, die handelt? Ben ik dat? En wie zal mij van mijn soms zo vreemde ik verlossen?’

 

Terug naar overzicht…