De Dominee

Door Aart Mak

Interviews, ik mag ze graag beluisteren en ook lezen. Op de radio en in kranten waar, zoals in Trouw, de meest diverse mensen door Arjan Visser aan de hand van de Tien Geboden hun ziel en zaligheid blootleggen. Het komt in die vraaggesprekken nogal eens voor dat iemand zichzelf betrapt op een typische domineesopmerking. Ah, denk ik dan, daar heb je hem weer. De dominee blijft als archetype in de geest van moderne mensen een rol spelen. Die dominee staat dan vrijwel altijd gelijk aan een moralist, iemand die het beter weet en dat ook niet voor zich houdt maar aan anderen laat weten. Die dominee als betweter is dus wat ons in deze cultuur gebleven is na vijf eeuwen Reformatie. Ik geef toe, soms proef ik ook een verlangen bij een geïnterviewde naar iemand die weet waar het naar toe moet in deze onzekere tijden. De dominee is dus niet alleen een negatief beeld. Maar door de bank genomen is van de concrete dominee in de geest van vele geseculariseerde Nederlanders niets beters gebleven dan een bleke wijsneus die aanmerkingen heeft en zegt hoe het moet. Kortom, iemand aan wie je voorbijloopt zoals je ook doet bij wereldvreemde Jehovah’s Getuigen, of iemand die je op de zenuwen werkt zoals Andries Knevel een tijdlang had met zijn opgeheven vingertje. Brigitte Kaandorp zong ooit: Als ik het maar niet met Andries Knevel hoef te doen.

Goed, de dominee, de moralist, iemand die anderen de oren wast in plaats van de voeten, zoals Jezus ooit leerde. Ik vroeg me af of er meer beroepen zijn die zo’n negatieve bijklank hebben gekregen. Wat dacht u van de kruidenier? Iemand die weigert gul en royaal te zijn. Of van de beul, in de middeleeuwen een eerzaam beroep maar nu een aanduiding voor een gewelddadige crimineel. Of van de slager? Nog steeds een mooi beroep, maar toegepast in de rechtszaal gaat het over een massamoordenaar. In mijn familie werd een dominee (heb je hem weer) die mensen naar de mond praatte, een warme bakker genoemd. Ook niet een echt hoffelijk gebaar naar alle brood- en banketbakkers van Nederland. En dan is er natuurlijk de boekhouder, een normaal beroep, maar niet helemaal zonder gedachte aan saaiheid en gebrek aan levenslust. En het beroep van bankier is in de huidige tijd helaas haast een synoniem voor ladelichter geworden, iemand die zichzelf verrijkt en totaal losgezongen is van de gewone wereld. Dat is dus in veruit de meeste gevallen niet waar, maar de banken en hun hoogste bazen hebben het er naar gemaakt.

In een veel onschuldiger maar meer misprijzend licht staat een aantal beroepen dat vroeger heel normaal was. Denk aan de knecht. Niemand noemt zich tegenwoordig nog zo. Of het dienstje, de naam voor vrouwen die werkten in de huishouding. Of boer. Het programma Boer Zoekt Vrouw mag dan wel populair zijn maar wie wil er nog boer worden en zijn hoofd in de financiële strop leggen? In de spreekwoorden in de Nederlandse taal komen veel beroepen voor. Van een schoenmaker wordt verondersteld dat hij nog wel eens bij zijn leest wegloopt, van een waard dat hij zich niet kan voorstellen dat zijn gasten ruimdenkender zijn dan hij, van een stuurman dat hij op zijn best is als hij op de wal aanwijzingen staat te geven en van een soldaat dat hij niets liever doet dan een fles wijn of jenever zo snel mogelijk leeg te drinken. Nog steeds zijn de grappen over een ambtenaar niet te tellen, zoals onlangs een filmpje dat laat zien hoe een man die bij een slager honderd gram gehakt bestelt van het kastje naar de muur wordt gestuurd, in het geval de slager geen ondernemer maar een ambtenaar zou zijn geweest. Te zien op de website. Maar hoe zit het nu met de dominee? Ik ken maar een gezegde: ‘Er gaat een dominee voorbij.’ Dat is wat men in een vissersdorp zei als er een stilte viel omdat de dominee bij een familie moest aanzeggen dat er iemand niet zou terugkeren van de zee. Dat is tenminste duidelijk, de dominee als doodbidder. Eerlijk gezegd – dit programma heet niet voor niets de binnenkamer – ben ik dat zo’n beetje ook wel geworden de laatste jaren.

Maar ik had het over wat vooral gebleven is van de dominee in de publieke opinie. Dat is de moralist. Of de tweelingbroer van de koopman – en dan heb ik het over het Nederland van vroeger eeuwen. De dominee die opriep tot deugdzaamheid en de koopman die met ijver, spaarzaamheid, zelfdiscipline en moed zorgde dat het land economisch draaide. Maar dat Nederland is niet meer of ik moet me sterk vergissen. En daarmee is de dominee als de behoeder van de ouderwetse deugden ook uit beeld geraakt. Ik herinner me hoe Freek de Jonge ooit allerlei domineeskinderen bij elkaar riep en daar een lans brak voor een mooi beroep. Zijn vader noemde hij een broodtrooster en met zo iemand was en is niks mis: iemand die weet wat troosten is. Maar ook de moralist mocht er wat hem betreft zijn: wat is er mis met iemand die verhalen met een ondertoon vertelt en mensen herinnert aan wat ze doen en hoe ze dat kunnen verantwoorden? De volgende keer dan maar over mijzelf en hoe groot de moralist is die in deze dominee woont …

 

Terug naar overzicht…