Wegwezen

Door Ds. Aart Mak

Is het waar dat de oudere generatie die al vijftig jaar geloven achter de rug heeft, anders in het geloof staat dan de generatie die nog op het punt van beginnen staat? Deze vraag naar het verschil in geloof tussen de zeventigjarigen en twintigjaren hield mij de afgelopen week meer dan eens bezig en ik zal uitleggen waarom. Ik was al begonnen te lezen in een boek met de aardige titel ‘God is niet te vangen’. Het is geschreven door mijn collega Jan Offringa en zijn kerkenraadsvoorzitter Evert van Baren en dat boek gaat precies over wat de ondertitel belooft: onorthodoxe gesprekken over veranderend geloof. Veertien kerkgangers keren in dit boek hun geloof binnenstebuiten. En wat blijkt? Het zijn mensen die geen vragen schuwen, alle vragen die de moderne tijd stelt. Maar ze denken na, veranderen gaandeweg van gedachten en slagen erin hun band met het christelijk geloof niet kwijt te raken. Maar dan geven ze, met mijn goed formulerende en theologisch scherp duidende collega als gesprekspartner, wel blijk van veel en soms grote veranderende inzichten. Daar gaat dit boek over. Het kan dus, anders over God gaan denken, het woord almacht niet meer gebruiken, anders tegen Jezus aankijken, niet meer een bloedige verzoeningsleer aanhangen, begrippen als zonde en schuld herijken, andere opvattingen over de bijbel, de verhoudingen met ongeloof en anders gelovigen gaan krijgen.

Nu eerst wat anders dat hier direct mee te maken heeft. In de voorbije week kwam het Sociaal Cultureel Planbureau met zijn rapport ‘Geloven binnen en buiten verband’. Joep de Hart laat met andere woorden weer van zich horen! Een paar zaken uit dat rapport laat ik even de revue passeren. Het vertrouwen van de gemiddelde Nederlander in de kerk is uitermate laag. Sinds de jaren zeventig is het aantal kerkleden gehalveerd. Nog maar voor tien procent van de Nederlanders is een geestelijke een aanspreekpunt bij gewetensproblemen. En op zijn gunstigst wordt de kerk gezien als een nutsbedrijf. Dat laatste betekent dat er mensen zijn die de kerk zien als instantie om te gebruiken bij begrafenis of huwelijk, anders niet. Dertig procent van de bevolking rekent zich tot een kerkgenootschap, maar van de mensen die nooit een kerk van binnen zien zegt weer veertig procent wel te geloven in God of zoiets als een hogere macht.

Het is niet voor het eerst dat dit soort cijfers worden bekendgemaakt. We leven al langer dan vandaag in een tijd waarin de kerk kleiner wordt, vergrijst en alsmaar marginaler wordt. Tegelijk zeggen talloze mensen wel te geloven en duikt er ineens een paus op  die ook populair is bij niet-kerkelijken. De discussie ging echter de afgelopen week over een ander gegeven in het rapport. Er wordt opgemerkt dat steeds minder jongeren de kerk bezoeken en dat de jongeren die dat wel doen, dat dikwijls doen en streng zijn in het volgen van kerkelijke voorschriften. Er was in Trouw een discussie over het begrip neofundamentalist. Dat is een beetje een rare term die de onderzoekers tussen aanhalingstekens gebruiken om aan te geven dat de jongeren die wel lid zijn van een kerk meestal strak in de leer en streng in het geloof zijn. Het geloof in de hel en de duivel zou bezig zijn aan een comeback binnen die groep jonge gelovigen. De kerk van de toekomst zal dus, zou je al snel zonder verder nadenken concluderen, klein en orthodox zijn. Anders gezegd – denkend aan het boek dat ik noemde met al die ooit orthodox begonnen ouderen die inmiddels vrij en modern zijn gaan geloven -, het geloof wordt wat de jongeren betreft weer klein en vooral fijn. Dat laatste woord, fijn, dan in de betekenis van orthodox, streng gelovig.

Nog iets. In een ingezonden artikel in de Volkskrant schrijft Rianne Philipsen, masterstudent filosofie in Groningen, dat haar generatie, de twintigers, de zogenaamde generatie Y, niet lui of verwend is maar moeite heeft met alle verwachtingen die de huidige twintigers zijn  ingeprent. Hun ouders, de veertigers en vijftigers, ervaren zij vaak als gestrest, uitgeblust en teleurgesteld in hun onhaalbaar gebleken idealen. Hun kinderen willen anders leven, niet meespelen in het spel der verwachtingen en alleen doen wat goed is voor henzelf en hun omgeving. Duurzaamheid is daarbij een belangrijk begrip.

Terug naar de jongere en oudere generaties en de kerk. Enige gedrevenheid en behoefte aan helderheid (zwart-witdenken) is jongeren nooit vreemd geweest. In de huidige maatschappij die meer lijkt op een alsmaar stromende rivier dan op een overzichtelijk en rustig landschap, begrijp ik dat er jongeren zijn die ergens hun zekerheid vandaan willen halen en dat sommigen van hen – denk ook aan de aantrekkingskracht van een strijdbare Islam – het geloof graag zien als een tuin met een omheining waarachter je veilig bent en een in een heilig boek gefundeerd oordeel kunt hebben over de rest van de wereld. Dat zal allemaal wel. Maar dit is niet het hele verhaal, zeker niet theologisch gezien.

Veel mensen, ook van mijn generatie, hebben de kerk verlaten omdat deze hen niet hielp bij hun ontwikkeling en emancipatie. De kerk is niet in staat gebleken mee te groeien met hun vorderende inzichten. Al die zestigers en vijftigers hebben gekozen voor een eigen, geestelijke weg. Dat is niet zo verkeerd vind ik. Een diensthuis waar je geknecht wordt en niet vrij bent, moet je verlaten volgens het heilige boek. Dan blijven natuurlijk de orthodoxen over in die kerk. Mensen, ouderen en jongeren, voor wie het geloof als een vaste burcht is tegen alle moderne  denkbeelden. Maar niet alleen, zoals het boek van Jan Offringa laat zien. En er is ook iets gaande wat ik bij die jonge mensen als Rianne Philipsen al langer dan vandaag aantref: een groot verlangen naar een samenleving die rechtvaardig is, een milieu dat niet kreunt onder het vuil en een manier van leven die anders is dan dat eeuwige presteren van hun ouders. Beide generaties, ouderen die in staat zijn hun geloof om te vormen en jongeren die het aandurven om voor kwaliteit van leven te kiezen, vind ik uiterst hoopvol. De kerk die dat oppakt en vorm kan geven, haalt de toekomst wel. Een socioloog zou glimlachen om dit wensdenken. Die let op wat hij kan meten en weten. Als theoloog zou ik zeggen dat het instituut kerk van minder belang is dan wat de onzichtbare Geest aan bezieling onder mensen teweeg brengt. Deze week kwam de film uit over het hilarische boek van Jonas Jonasson, over de honderdjarige man die uit het raam van zijn bejaardenhuis klom en verdween. Wat mij betreft staat hij model voor wat ons te doen staat als het te benauwd wordt in een huis waarvan men zegt dat je vrij bent en dat geloven juist bedoeld is om jou vrij te maken. Wegwezen dan! Over geloven binnen en buiten verband gesproken…

Met muziek van Desplat en Lane/Vitarelli. Verder hoorde u muziek van Locatelli en het lied ‘Als de hemel vol gezang is’ van Sytze de Vries. Gelezen werd uit Galaten 5: 25. Het gebed kwam uit de bundel ‘Zeggen en zwijgen, oecumenisch gebedenboek voor alledag’ van Marcel Barnard e.a.

 

Terug naar overzicht…