Sport

Door Ds. Aart Mak

Al weken laat de NOS weten dat de sportzomer eraan komt. Zowel op de radio als op de televisie horen of zien we dan een jingle – dat is iets dat zo vaak wordt uitgezonden dat het op jengelen lijkt – waarin alle topsport die ons te wachten staat, wordt genoemd. Het is dit jaar ook wat. Tennis met Roland Garros en vooral Wimbledon, wielrennen met de Tour de France, de Olympische Spelen vanuit London en heel binnenkort het Europese kampioenschap voetbal. Met name de eens per vier jaar plaatsvindende Olympische Spelen werpen hun schaduw of licht, net hoe u het bekijkt, vooruit. Zelfs rechters worden erbij gehaald om uit te maken of een turner als Epke Zonderland wel of niet terecht wordt afgevaardigd. Inmiddels kleuren ook sommige straten van mijn woonplaats oranje. Bij ’s lands grootste kruidenier kun je de originele Panini voetbalplaatjes sparen. Ze doen daar even wat rustiger aan vergeleken met eerdere jaren met hun Welpies, Wuppies en Beesies. Het bekende biermerk laat zich nu gelden met rugnummershirts waar het vroeger met rare petten de aandacht trok. En zo is de strijd volgens de commerciële jongens al begonnen. Het gaat dit jaar om de oranje autosok, de aai-pet, de oranje kratstoel, de Weeve Sleeve, het Bavaria jurkje, de oranje motorkap-leeuw, de C1000 gelukspoppetjes, het Wilhelmus T-shirt, de Gijpvogel en de Grolsch koelkrat. En ik weet zeker dat ik er nog een paar vergeet. Kortom, we zullen weten dat het deze zomer om sport gaat en om niets anders.

Ik besef dat het gemakkelijk is om hier badinerend over te spreken. Dat wil ik ook niet. Ik ben nooit een sporthater geweest. Ik kan intens opgaan in de spanning die met een zogenaamde grote wedstrijd gepaard gaat. Sport kan een streling voor het oog zijn. De schoonheid van een gelukte pass van Wesley Sneijder, de genialiteit van een tennisspeler als Federer, het doorzettingsvermogen van iemand als Nadal, het ploegenspel in een zware bergetappe in de Alpen (dit gaat nu over wielrennen dus), de onvoorstelbare snelheid van de als een gazelle lopende Usain Bolt, ik kan heel lang doorgaan met voorbeelden aandragen om de schoonheid van sport te bezingen. Bij vlagen is topsport een vorm van kunst. Het is daarnaast een van de beste manieren om jezelf uit te dagen en je krachten met anderen te meten. Ik geloof zelfs dat sport helpt om te leren dat er grenzen zijn, om te aanvaarden dat je kunt winnen en verliezen, om te zien dat je samen moet werken om resultaat te behalen, enzovoort. Sport kan tot verbroedering leiden zoals je altijd ziet op de tribunes van grote rugbywedstrijden. Sport kan mededogen teweegbrengen, want schlemielig verliezen, weer de eeuwige tweede zijn, gewoon pech hebben, het hoort allemaal bij sport en dan is sport een metafoor van het leven zelf.

Maar al het gedoe tegenwoordig! Ik betrap mij zelfs regelmatig op enige  weerzin. En dan gaat het mij nog niet eens over de mensenrechten in Oekraïne en of daar nu wel of niet politici op de tribune gaan zitten. En ook niet over dopingcontroles die weer leiden tot dopingzondaars in met name de wielersport. En het gaat mij nog niet eens ook over de beerput die in Italië opengaat, verkochte wedstrijden, omgekochte spelers, zo erg dat de Italiaanse premier Monti zich afvroeg of de hele voetbalcompetitie in dat land niet eens twee jaar moet worden stilgezet. Daar gaat het mij nog niet eens zo om. Corruptie, chemische trucs om meer uit je lichaam te halen, zwart geld, goede sier zoals de dictator Adolf Hitler ooit en generaal Jorge Videla in 1978 met sport maakten, het hoort er allemaal bij omdat sport een spiegel is van het leven zelf.

Mijn weerzin komt vooral voort uit het punaise poetsen, het opblazen, het gewicht dat aan futiliteiten worden toegekend, het gepraat ook eromheen, de ernstige gezichten die verraden dat het wel een zaak van landsbelang moet zijn en het eindeloze herhalen van voorvallen die de naam nieuws niet mogen dragen. Terwijl we langzamerhand een provincie van Europa zijn, doen sportjournalisten en hele hen napratende volksstammen of er maar een land bestaat dat Europees kampioen kan worden. Het spitsenprobleem, de invulling van de linksbackplaats, het centrale verdedigingsblok en nog zo wat van die dingen domineren al dagen lang het nieuws. Terwijl in Syrië zeker vijftig kinderen al dan niet geblinddoekt werden geëxecuteerd, buigen we ons hier in volle ernst over een hamstringblessure van Mathijsen. Nu weet ik ook dat je deze zaken niet tegen elkaar mag uitspelen, maar er klopt iets niet. Sport is buitenproportioneel geworden. Niemand staat stil bij het Holland Festival dat ook dezer dagen begint. Terwijl de crisis in Europa nu echt in fase oranje is beland – met gigantische werkloosheidcijfers in Spanje en een haast niet te betalen rente van staatsschulden daar, apen wij met onze oranje vlaggen, hoedjes en toeters de oude Romeinen na die zich het liefst wilden laten vermaken in de arena’s en stadions, terwijl het politieke rijk langzaamaan in elkaar stortte. Alles draait hier ook om de mannetjes die hoogstwaarschijnlijk na drie of vier wedstrijden uitgespeeld zijn. Sport als opium voor het volk. Het gaat nog verder. Zelfs de politiek wordt gezien als een sportwedstrijd, met mannetjes en vrouwtjes die met elkaar in de clinch gaan in plaats van visies en programma’s op elkaar af te stemmen.

Goed. Genoeg hierover. Dit is een goed begin en geen moppertrommel. In een maatschappij als deze met een overdaad aan prikkels, feiten, meningen, commentaren en bewegende beelden moet elk mens zijn of haar eigen weg vinden. Aan elk apparaat zit een aan- en uitknop. Het is ook allemaal maar de waan van de dag. En achter elk mens die helemaal opgaat in de massa, zit een levend wezen met een eigen verhaal. Het christelijk geloof dat opkwam en zich verbreidde in dat grote Romeinse rijk dat zijn massa’s vermaakte en stil hield met brood en spelen, deed iets ongehoords. Het toen nog zo spiksplinternieuwe geloof begon mensen als individu te zien, hun een eigen bestaansrecht te geven, zelf  verantwoordelijk te geven. Kinderen waren meer dan goedkope arbeidskrachten en vrouwen meer dan broedmachines. De onvermoeibare apostel Paulus sprak vaak over slavernij en hoe daaruit bevrijd te worden. Hij mikte op de volwaardigheid en fierheid van mensen. Hij had een idee, een ideaal, anders dan wat hij vaak gezien moet hebben, dat slaafse, onnadenkende, consumptieve en fatalistische gedrag van tallozen. We leven inmiddels in anders tijden. Gelukkig maar. Laat dus de sportzomer maar komen, maar denk na, blijf u zelf en doe zelf ook wat aan beweging. En oh ja, kijk regelmatig in de spiegel en doe een dopingcontrole bij u zelf. Zorg kortom dat u niet verslaafd raakt aan wat óók, als bijna alles, weer voorbijgaat.

Met muziek van Grieg aan het begin (Holberg Suite) en Rachmaninoff aan het eind (einde 1e deel van zijn 2e pianoconcert). Verder hoorde u muziek van Sibelius en gezang 271. Gelezen werd uit Filippenzen 3: 18-20. Het gebed kwam uit de bundel  Zeggen en zwijgen, oecumenisch gebedenboek voor alledag van Marcel Barnard e.a..

 

Terug naar overzicht…