Vasten

Door Ds. Aart Mak

Bij mij in huis hebben de dames besloten dat er veertig dagen lang geen snoep wordt gegeten. Toen mij dat werd voorgelegd, had ik daar zelf nog niet over nagedacht. Ik ben namelijk de grootste consument van dat spul en in eigen vlees snijden doet een mens niet zo gauw. Toch besloot ik  deemoedig met dat feminiene besluit mee te gaan. Zo’n gekke gewoonte is het ook niet om vanaf Aswoensdag tot en met Paaszaterdag wat eten en drinken betreft de pas in te houden. Ik weet van mensen die dan geen druppel alcohol drinken. Er zijn gezinnen waar de toetjes tijdelijk taboe zijn. Anderen kijken veertig dagen lang zelfs geen televisie. Dat heet vanouds vastentijd en als ik goed om me heen kijk, meen ik te waar te nemen dat ook talloze geheide protestanten die van huis uit wars zijn van allerlei uiterlijk vertoon en elke vorm van werkheiligheid verafschuwen, doodgemoedereerd aan deze Roomse gewoonte deelnemen. Zo zie je hoe de oecumene aan de basis altijd vanzelf gaat en veel belangrijker is dan al die vergeefse vergaderingen die de top met elkaar houdt zonder een stap dichter bij elkaar te komen.

De droppot blijft dus leeg en alle chocola en andere tussendoortjes zijn uit huis gebannen. Eerlijk gezegd ervaar ik nauwelijks enig gemis. Dat heeft natuurlijk vooral met de luxe te maken dat er genoeg goed en gezond eten in huis komt. Maar ook met hoe snel een mens gewend is aan kleine veranderingen. Dat geldt voor de nieuwe trui die je koopt, waar je de eerste dagen via de spiegel soms met welgevallen naar kijkt, maar die al snel als een van de vele kledingstukken in je kast ligt. Het geldt ook voor een van de vele gadgets die bij het moderne leven schijnen te horen. Als je bijvoorbeeld je iPod kwijtraakt, doet het wel zeer, maar je leert er ook weer mee te leven. In de praktijk valt het gemis van fraaie spullen, luxe extra’s, bepaalde eetgewoonten, kortom alles wat onze ouders vroeger niet in huis hadden of aan deden, wel mee. Iets anders is het als inbrekers je halve huis overhoop halen en kostbaarheden meenemen. Mijn buurvrouw overkwam dat in de nacht van de laatste jaarwisseling – ze was toen niet thuis - en haar verdriet betrof niet het geld en de elektronica die de onverlaten hadden meegenomen. Ze raakte niet uitgehuild over het verlies van wat haar overleden ouders haar hadden nagelaten, een ring van haar moeder, sieraden van haar grootmoeder, op zich niet zulke kostbare voorwerpen maar voor haar geladen met emotionele dierbaarheid.

Terug naar het vasten. Ergens in de Bergrede van Jezus staat het met zoveel woorden. Een mens is meer dan wat hij eet, drinkt of waarmee hij zich kleedt. Dat beseffen we lang niet altijd en daarom maken wij ons doorgaans meer zorgen dan nodig is. Deze oude waarheid wordt ook in allerlei therapieën uitgespeld. Het hoort blijkbaar bij de meeste mensen om vast te lopen in zichzelf, om overspannen te raken van alles wat zij zelf zich in hun hoofd halen en om onderuit te gaan door alle zelf opgelegde plichten. En zo vormen wij voortdurend onze eigen wereld en ontdekken vervolgens hoe vervormd en misvormend die wereld is. En daar moet wat aan gebeuren, telkens weer opnieuw. Door in de spiegel te kijken. Door de confrontatie met jezelf aan te gaan. Door het wijze oordeel van anderen toe te laten. Door een lichamelijk ongemak waar je ineens niet meer omheen kunt. Ach, er zijn zoveel manieren waarop een mens tegen de lamp loopt. Het treft mij nu ook. Dacht ik dat ik in december me vertild had aan een loodzware piano. Ik had dus pijn onder in mijn rug.  Ik dacht eerst: dit gaat wel over. Ik dacht later: even wat deskundige hulp en het gaat wel over. Blijkt het niet over te gaan, zit het gewoon veel dieper en is het zelfs wat iemand noemde: oud zeer. Er moet iets anders gebeuren en dat ga ik nu aarzelend doen. Mijn lichaam dat nooit protesteerde als ik weer een hele dag doorbeukte en dat wekenlang volhield – ik was er zelfs trots op, vertelt mij nu iets anders. En die boodschap heeft met verwerken van wat gebeurd is en met dragen wat te veel was, te maken. Zonder nu verder al te persoonlijk te worden – maar ik kan mijzelf als het hierom gaat altijd het beste als voorbeeld nemen -, wil ik verder nog wel aan u kwijt dat dit voor mij het echte vasten is en dat het een harde, pijnlijke les is.

Het gevaar van het bekende, rituele vasten is namelijk dat het toch al gauw weer een zaak van optellen en aftrekken wordt. Het is prima, meer  dan prima zelfs, om gewoonten te doorbreken. Dat geldt helemaal als het om te grote consumptie gaat, van snoep, vlees of alcohol. Maar het kan ook weer gemakkelijk een zaak van rekenen worden. Dan berekenen we  dat ook het vasten zin heeft. Want je moet wel ergens aan kunnen afmeten dat het ergens goed voor is. En zo slaan we onszelf op de schouders omdat we ons gezonder voelen of omdat er nu minder dieren hoeven te lijden onder onze manier van eten. Maar dat is maar een kant van de zaak. Het is de buitenkant. Ook in onze onthouding blijven we wandelende rekenmachines. Alles moet toch weer een functie hebben en nuttig zijn. Maar de valkuil waar ook ik intrap, is om te vergeten dat leven meer is dan wat je kunt meten, tellen of wegen. Een mens is meer dan zijn bijdrage aan de wereld. Er bestaat ook zoiets als een leven om niet. Terwijl al zijn broers werkten, wilde Iwan die Wanjka heette, niet werken. Hij zat in de zon en bespeelde zijn schalmei, aldus een bekend gedicht van Slauerhoff. Slauerhoff pleit in dit gedicht voor het bestaan van de kunstenaar in ons midden. Maar evengoed kun je hier een pleidooi in lezen voor het bestaan van de ziel. Een mens is meer dan hij presteert en waarop hij afgerekend wordt. Een mens is ook nog eens een wezen op zich, een geheim dat hij zelf amper kent maar van waaruit hij grotendeels onderbewust wel leeft. In het christendom wordt dit uitgedrukt door de gedachte dat wij schepsels zijn en dus niet van onszelf zijn. En, zou ik eraan toe willen voegen, vasten is dat je de tijd neemt om alles dat je dacht dat je was en kon en wilde en moest, weer terug te brengen naar de bron. En daar, bij de bron die we God noemen en waarvan onze ziel een afgietsel is, te ontdekken dat het met minder ook wel kan. Ruimschoots zelfs. Toen ik me dat bewust werd, tastte ik in de onderste la waar ik wat snoepgoed bewaar voor tijden van nood. Ik vond dat ik nu wel een dropje verdiend had. Of was het onverdiend en enkel genade?

Met muziek van Grieg aan het begin (Holberg Suite) en Rachmaninoff aan het eind (einde 1e deel van zijn 2e pianoconcert). Verder hoorde u muziek van Vitarellil en het Kyrie uit ‘Petite Messe Solennelle’ van Rossini. Gelezen werd uit Matteüs 6: 16-18. Het gebed kwam uit de bundel Bij gelegenheid (II) van Sytze de Vries.

Terug naar overzicht…