Leegte

Door Aart Mak

Leeg maken. En vooral leeg worden. Niet meer een hoofd vol met afspraken, werkzaamheden, ergens op een papiertje gekrabbeld, wat er vandaag moet gebeuren en wat aan het eind van de week zeker af moet zijn, zorgen om mensen en wat ik kan doen, onrust over hoe iets verder moet, probleem: de fut is eruit en hoe brengen we er weer elan in, ergens tegenop zien, mensen bellen en hopen dat ze willen – als dát allemaal mijn hoofd niet meer vult, is het voor mij vakantie en dat was het ook, nu zo’n maand geleden. ’s Avonds preekte ik nog in de kerk van Bloemendaal en de nacht erop, een zevental uren later, zat ik met mijn geliefden in het vliegtuig. En zeker toen ik na de ruwe landing op het kleine vliegveld van Heraklion merkte dat mijn mobiele telefoon verdwenen was zonder een spoor achter te laten – zeker uit mijn stoel weggeschoten en ergens meters voor mij op de vloer van de Boeing tot stilstand gekomen om nooit meer gevonden te worden, althans niet door mij – werd het echt leeg. Ik sputterde de eerste dagen nog wat tegen maar toen begon het dolce far niente, het zoete nietsdoen. En elke dag sinds ik weer aan het werk ben, nu alweer bijna twee weken geleden, en ik mij weer laat vullen door alles wat het werk en ook het gewone dagelijkse leven stil of uitgesproken van mij vragen, hoop ik die ontspanning, die weldadige onbezorgdheid, nog even in mij te voelen, als een stille engel die mij begeleidt.

En nog steeds lukt dat. Haarlem is stil, de scholen zijn gesloten en de meeste gezinnen zijn nog weg of houden zich op bij evenementen, braderies of attractieparken, lijkt het. Het is een feest om door je eigen stad te lopen, bijna als een toerist. Ik lees weer de krant, terwijl ik in mijn vakantieweken eigenlijk alleen romans las en het nieuws slechts oppervlakkig volgde. Ik probeer de ernst van wat ik lees nog wat van mij af te houden. Dat geldt helemaal voor de filmpjes die aangeboden worden – er zijn beelden die ik niet kan aanzien, zoals die van dat Arabische jongetje dat schreeuwt dat ze de kruisen in Rome zullen stukslaan of van die mannetjesleeuw in Zimbabwe die omwille van de kick van een rijke Amerikaanse tandarts is afgemaakt. Ik weet het, elke dag is er ergens een aanslag, in Calais dringen zich steeds meer mensen op die de oversteek naar Engeland willen wagen, het klimaat zal volgens sommigen zo ingrijpend veranderen dat de storm van vorige week zaterdag in Nederland nog maar een zuchtje wind was vergeleken met dat wat ons de komende decennia te wachten staat. Ik lees het, maar ik probeer het nog van mij vandaan te houden, zoals je aan de rand van een nieuw te bezoeken stad je auto parkeert en daarmee de handen vrij hebt om te lopen en genieten van alles wat je tegenkomt.

Vroeger zou ik mijzelf deze houding hebben kwalijk genomen. Als andere mensen het zo ellendig hebben, mag ik zelf niet leven alsof er niets aan de hand is. Vroeger, jaren geleden, vond ik, in navolging van mijn ouders en alle mensen die ik in hun en later mijn eigen omgeving tegenkwam, dat ontspanning en rust er wel mochten zijn maar alleen om des te beter weer uit te kunnen pakken met allerlei bedrijvigheid, heilige verontwaardiging en een niet aflaten ‘werken aan de wereld’. Dat vroeg het geloof van je, dat wilde God, zeiden we toen zelfs. En dat werk was ook nog eens nooit af en als je al wat gedaan had, brak het je ook weer bij de handen af, zoals mijn ouders altijd zeiden, maar het moest wel worden gedaan, in een soort religieus bewogen dadendrang. Ik denk nu aan dat gezang dat we dan soms zongen: ‘God roept ons broeders tot de daad, het werk wacht, treedt dan aan.’ Ik kom daar natuurlijk nooit meer helemaal los van, als dat al kan en moet. Maar ik doorzie nu wel hoe het complexe begrip schuld daarbij een grote rol speelde. Want in die visie hadden mensen altijd schuld. Je bent nooit klaar, er is altijd iets dat nog moet gebeuren, het wordt zelfs van je gevraagd, door je geweten, door God, door Jezus die immers vertelde dat je moest woekeren met je talenten. En wee je gebeente als je maar wat aan rotzooide, zoals toen altijd over anderen werd gezegd door degenen die leefden uit dit volkomen door het geloof gecodeerde leven. Deze verwrongen vervormingen hadden allemaal te maken met schuld, dat zie ik nu. Ik heb daar in mijn ontspannen mijmeringen tijdens mijn vakantie veel over nagedacht en gepraat, kwam het tegen in wat ik las en in de herinneringen die ik opriep, zittend aan één van de mooie stranden van Kreta.

In die wereld van vroeger, waarin mensen waren 'belâan met schuld' (ook zo’n gezang), was leegte ledigheid en dus des duivels oorkussen. Ja, en ook hier zit dus een valkuil. Want ik wil u laten weten dat ik vakantie heb gehad, maar toen toch ook op belangrijke gedachten ben gekomen. Moet mijn vakantietijd toch weer productief zijn, wat voorstellen. Mag het niet niets zijn, alleen maar leegte, gewoon niets...

Terug naar overzicht…